18-3-2009 

Tessa Gruijs (19) en Celine van der Geer (18) uit Zaandam, derdejaars deelnemers van de opleiding Onderwijs-assistent, zijn net terug van vijf maanden stage in Suriname. Bijzonder, want het is niet gebruikelijk dat onderwijsassistenten hun stage doorbrengen in het buitenland. Maar ze wilden per se, dus hebben ze het helemaal zelf geregeld. Tessa en Celine vertellen enthousiast over hun ervaringen.

Waarom Suriname?
Tessa: “Omdat daar in het Nederlands les gegeven wordt. Dat was wel een voorwaarde.”

Jullie hebben stage gelopen op de openbare basisschool Gijsbertus in Paramaribo. Wat deden jullie zoal?
Celine: “Ik stond in de eerste klas (groep 3). Daar leg je de basis. Ik hielp de kinderen bij de uitspraak van klanken, oefende schrijfbewegingen, leerde ze tellen. Er was weinig aandacht voor creatieve vakken omdat je daar als leerkracht knutselmaterialen zelf moet kopen. Dat heb ik gedaan en de kinderen vonden het geweldig. We hebben samen de klas opgefleurd, want er hing helemaal niets aan de muren. Ik heb ook dramaoefeningen met ze gedaan.” Tessa: “Ik hielp kinderen in de vierde klas (groep 6) die niet goed mee konden komen. Dat gebeurde individueel of in groepjes. Normaal is daar geen tijd voor, alles gaat daar klassikaal. Het kan wel na schooltijd maar daar hebben ouders meestal geen geld voor. Later nam ik hele lessen over. Dat hoort eigenlijk niet als onderwijsassistent, maar was wel heel leuk!”

Wat viel je op?
Celine: “De boeken kwamen uit 1983 en zagen er niet uit, vergeeld, ouderwets.” Tessa: “Er was geen geld voor nieuwe boeken. Waarom komt er geen recenter materiaal uit Nederland? Hier heb je bijna elk schooljaar nieuwe boeken.” Celine: “Het niveauverschil is groot, sommige kinderen konden nog niet tellen of kenden het alfabet niet. Er wordt veel getoetst, zelfs al in groep 3. En ze zijn veel strenger. Ze spreken hier heel luid, omdat ze denken dat de kinderen dan beter luisteren. Kinderen luisteren hier sowieso heel goed. De leraar staat hier nog op een voetstuk.” Tessa: “Leerlingen zijn vaak gemotiveerd en leergierig omdat onderwijs de manier is om hogerop te komen.”

Wat zijn jullie toekomstplannen?
Tessa: “Ik heb me al ingeschreven bij de pabo. Dat wilde ik altijd al, en nu weet ik het zeker. Ik kon naar de havo of het mbo. De havo kostte me twee jaar, deze opleiding drie, maar nu heb ik wel al veel (praktijk)ervaring opgedaan die gericht is op de pabo. Daarom heb ik voor deze opleiding gekozen.” Celine: “Ik twijfel nog over de pabo, maar ik wil wel door naar het hbo. Het liefst ga ik daarna naar het buitenland, iets met onderwijs en ontwikkelingshulp. Binnenkort heb ik een gesprek met een loopbaanadviseur van het Servicecentrum. Ik hoop dat zij me kunnen helpen bij mijn keuze.”

Waarom is het beroep onderwijsassistent zo onbemind?
Tessa: “Onderwijsassistent wordt vaak verward met klassenassistent. Dat beroep bestaat niet meer maar veel ouders kennen dat nog van vroeger en associëren dat met het doen van rotklusjes, zoals kopiëren, koffie zetten, afwassen. Dus zeggen ze tegen hun kinderen dat ze de opleiding niet moeten doen. Toen ik hier kwam kijken tijdens de open dag bleek het heel anders te zijn.”

Wat houdt het beroep dan wel in?
Tessa: “Je bent assistent in de klas, naast de leerkracht. Je begeleidt kinderen, individueel of in groepjes. Bijvoorbeeld kinderen die niet goed mee kunnen komen. De leerkracht heeft daar geen tijd voor. Dat heb ik tijdens deze stage ook gedaan, in het kader van mijn scriptie.”
Celine: “Als onderwijsassistent richt je je op het kind. Je helpt hem om op hetzelfde niveau te komen of bekijkt of het misschien naar het speciaal onderwijs moet. Je schrijft een handelingsplan waarin staat wat je gaat doen, bijvoorbeeld activiteiten met rekenen of taalopdrachten. Wat je wil gaan doen bespreek je altijd met de leerkracht, want die is eindverantwoordelijk.”